J.S. BACH

Recensie J.S. BACH – Johannes Passie, BWV 245 (Versie IV, 1749)

J.S. BACH
Johannes Passie, BWV 245 (Versie IV, 1749)
Sabine Goetz, Amaryllis Dieltiens (sopraan), Elisabeth Popien, Alexander Schneider (alt), Hans-Jörg Mammel (evangelist), Georg Poplutz (tenor), Wolf Matthias Friedrich, Markus Flaig (bas), Cantus Cölln o.l.v. Konrad Junghänel
Accent ACC 24251 (2 cd’s) • DDD-1.49’


In 1739 leek het erop dat Bach grondig orde op zaken wilde stellen in de paperassenwarboel van de Johannes-Passion. Hij was aan nummer 10 met zijn revisiearbeid toen de Leipziger gemeenteraad roet in het eten kwam gooien. Volgens de notulen schijnt Bach nog zoiets gezegd te hebben als ‘wat kan het mij eigenlijk schelen, zo’n hoop moeite waar ik geen cent mee verdien!’ en liet het rusten. Tien jaar later kwam het alsnog tot een herziening die in grote lijnen overeenkwam met Bachs eerste versie uit 1724 maar subtieler en moderner geïnstrumenteerd was. Aangezien Bach de uitvoering zelf dirigeerde, kunnen we aannemen dat deze versie zijn zegen had, ook al had hij het notenschrijven aan een kopiist toevertrouwd. Konrad Junghänel koos met zijn Cantus Cölln voor de 1749-versie en uiteraard ook voor een bescheiden bezetting. Dat laatste blijft een heet hangijzer in Bach-kringen, maar Junghänel bewijst in deze uitvoering dat de transparantie van een uitmuntend solistenensemble een eigen esthetisch ideaal vertegenwoordigt. De acht zangers zijn slim opgesplitst in een vocaal dubbelkwartet: de solisten nemen ook de koren voor hun rekening. De interactie tussen zangers en orkest is bijna te mooi voor woorden en dus iets om rustig luisterend van te genieten.
Marijke Schouten

Wilt u meer recensies lezen? Sluit dan hier een abonnement af en krijg automatisch toegang tot honderden andere recensies én voorgaande edities van Luister.

Facebook
Twitter

Laatste artikelen