Onopvallend zeer aanwezig 

Eduard van Beinum was meer dan een geweldige dirigent. Met het niveau van zijn vertolkingen maakte hij in Nederland vele geesten rijp voor een nieuwe muziekbenadering. Hij was geen ideoloog van deze aanpak en noemde zichzelf een eenvoudige keuterboer uit Garderen, waar hij zijn laatste jaren woonde. Dat was meer dan een grap of pose. Zijn interpretaties hadden een duidelijk karakter, waarmee hij zich sterk onderscheidde van voorganger Mengelberg, die tot aan de oorlog gold als het grote boegbeeld van het Nederlandse muziekleven.

Tekst: Emanuel Overbeeke

Willem Mengelberg (1871-1951) behoorde tot het type dirigenten dat meende dat een partituur pas goed tot leven komt als de dirigent die nadrukkelijk en zeer persoonlijk interpreteert. Dat was – soms, niet altijd – een excuus voor grote grilligheden in tempo en bijzondere accenten in de dynamiek. De klank was vaak vet en het tempo soms wat traag. Vooral muziek van Beethoven, Brahms, Strauss en Mahler had baat bij die aanpak. Eduard van Beinum (1900-1959) zat anders in elkaar. De muziek moest voor zichzelf spreken en kon dat ook, want de beste muziek had van zichzelf voldoende karakter. De musicus was meer een middelaar tussen dirigent en luisteraar dan een interpreet. En als een musicus een sterk karakter heeft, dan komt dat wel door. Die houding had hij van meet af aan en had consequenties voor zijn repertoire. Hij dirigeerde meer Haydn en Mozart dan zijn voorganger. Hij had meer met de Franse muziek die sterk drijft op een onnadrukkelijke expressie. Hij kon uitstekend overweg met Bartók, Stravinsky, Bruckner en Berlioz. Daarentegen moest hij groeien in muziek met een zeer nadrukkelijke en navrante expressie, zoals diverse stukken van Mahler. Ook zijn omgang met het orkest was anders dan die van Mengelberg: liever een musicus onder musici dan een dirigent als dictator. Die houding – nu normaal, destijds revolutionair – werkte door in de klank.

Grote zwier

In de periode 1931-1945, toen hij reeds voor het Concertgebouworkest stond, was die benadering in Nederland nog discutabel: interpretatie betekende voor velen vooral de persoonlijkheid presenteren. Na 1945 – Mengelberg mocht niet meer dirigeren en Van Beinum had bij het orkest het rijk alleen – werd zijn aanpak langzaamaan bon ton, omdat iedereen aan Van Beinum kon horen dat ook deze schitterende resultaten opleverde. En hij kon zich meten met zijn grootste buitenlandse collega’s die dezelfde aanpak hanteerden, onder wie George Szell en Hans Rosbaud. Een voorproefje was al te horen in zijn liveopnames uit de jaren 1931-1945, waarvan diverse zijn opgenomen in de Anthology-reeks van het Koninklijk Concertgebouworkest. Een meesterproef is zijn opname uit 1943 voor Deutsche Grammophon van Regers Mozart-variaties, die op de onlangs verschenen box Eduard van Beinum – Complete Recordings on Decca & Philips staat. Uitgerekend zeer weelderige, om niet te zeggen kronkelende muziek, waarin een lijn is bedolven onder tegenstrijdige details, krijgt een uiterst transparante uitvoering, met grote precisie en energie in het ritme en de structuur, plus een vloeiende beweging, ongeacht de lengte van een episode. De zware Duitse ernst van Reger heeft plaatsgemaakt voor grote zwier en elegantie.

De rest van het artikel kan u lezen in Luister 770. Dit nummer kunt u vanaf 3 maart kopen in een boekhandel bij u in de buurt of online op store.bcm.nl/luister

5/5 - (2 stemmen)
Facebook
Twitter

Laatste artikelen